B.

Baaien hemdrok

onderrok, gemaakt van dikke stof, voor in de winter.

Bnd

band. mv. bnt. De bnt, twijgen, wilgetenen. Unnen bnd en unnen wis, die haolde daor tie is, boerengeriefhout mag je overal kappen.

Baar

in de baare klompen, zonder kousen in de klompen.

Babbel

toffee.

Badhandschoentje

washandje.

Baej

allebei.

Bag

big. verkl. bgske. zie ook koer.

Baggebkske kleine varkenstrog.

Baggemnd

biggenmand. platte mand waarin de biggen naar de baggemrt werden vervoerd.

Baggemrt

biggenmarkt, markt waar de biggen worden verhandeld. In Uden was een levendige biggenhandel.

Baggetngske

biggentangetje. m t baggetngske wiere de tndjes geknipt, met het biggentangetje werden de tandjes geknipt; zodat de biggetjes de zeug geen pijn deden bij het zogen.

Bak

1) koffiekop; 2) gevangenis.

Bakkes

gezicht.

Balduinen

ravotten.

Balken

hooizolder. zie ook hizulder. ge meut nie op de balken speulen, je mag niet op de hooizolder spelen.

Bllie

iemand die over een ander praat. ds n grte bllie, dat is een grote roddelaarster.

Balliweengt

ruwe wind.

Bamboes

harde bezem. keert dn hrd mar s uit m dn bamboesen bssum, veeg de keuken maar eens uit met de harde bezem.

Bamis

1 oktober, vervaldag van de pacht.

Bangescheitert

bangerik. wa bnde gij toch unnen bangescheitert, wat ben jij toch een bangerik. zie ook scheithoos.

Bangmaker

vogelverschrikker.

Bank

bank, verkl. bnkske.

Baolie

wild lopend vrouwspersoon.

Baolin

zwaaien, wild, onachtzaam lopen. gt mar aon de kant, dr kumt r nne aongebaoliet, ga maar opzij, want daar komt iemand wild aangelopen.

Baon

1) baan, betrekking; 2) weg: de Bosse baon.

Baort

1) baard, 2) afval van vlas.

Bas

baas. mv. bas of baoze. ook wel de vader, of gezinshoofd. Is dn bas k thuis?, Is het gezinshoofd ook thuis?

Baske jongetje.

Baren

kinderspel, soort vangertje en verlos.

Barm

opgehoogde kant. ook berm.

Baseloen werkkiel. zie ook boezeroen.

Bats

grote afgeronde schop.

Batteren

slaan; afbatteren, afranselen.

B

1) wel. B ja, wel ja. B foei toch vvel!; 2) bij. b wie bende gewist?, bij wie ben je geweest? B, b dn Dries, wel, bij Driessen.

Bedaf

veraf gelegen, achteraf.

Bedinen

het sacrament der stervenden toedienen.

Bedplank

plank achter in de bedsteej waar de lamp en de pispot op staat.

Bedrukt

ernstig. wa kkte bedrukt, wat kijk je ernstig.

Bedruufd

bedroefd.

Bedsteej

ingebouwde slaapplaats.

Beduien

aanduiden.

Bn

been. mv. been. verkl. bintje.

Beer

1) braambes. mv. beren, brombeer; 2) mannelijk varken. mv. birren.

Brg

berg. dr lag unnen brg znd op de misse, er lag een berg zand op het erf.

Beergelt

dekrijpe zeug.

Beest

dn beest uithange, zich onbehoorlijk gedragen.

Beevert

bedevaart.

Beezen

rondrennen. wa ligge die koei toch te beezen!, het rondrennen van de koeien met opgeheven staart. As deen kw beest, stikt dnder den strt umhg, spreekw.: men aapt elkaar na.

Begaojen

1) mishandelen, toetakelen, er slecht uitzien: o, hij zag er zo begaoit uit. 2) verbruien, grof maken: jonge, jonge, wa hddet toch begaoit! wat heb je je toch slecht gedragen!

Begnkenis

drukte, feestelijkheid.

Begrren

verkiezen: da begr ik nie te doen, dat verkies ik niet te doen.

Begrrig

begerig.

Begos

t begos, het begon. t waar al kaauw, ent begos k nog k te regenen, het was al koud, en tot overmaat van ramp begon het ook nog te regenen.

Begraffenis

begrafenis

Begraffenisbidder

iemand die komt uitnodigen voor de begrafenis.

Begraoven

begraven.

Behaauwen

behouden. de kw h nie behaauwe, de koe is niet bevrucht.

Beheimd

stiekem. wa ligde dr beheimd te don?, wat ben je daar stiekem aan het doen? zie ook foezelen.

Bi

beide.

Bekanderen

elkaar. zie ook malkander.

Bekant

bijna. ook bekanst.

Bekeukelen

begoochelen; ogen bekeukelen, het gezicht bedriegen, goochelen.

Bekoenkelen

iets in het geheim afspreken.

Bekruizen

zwart maken, vooral met houtskool (kruiskool), of met roet van een ketel.

Bkske

bakje, kop om koffie uit te drinken. zie ook tas.

Belaoitaofelen

bedriegen. ge bent belaoitaofeld, je bent bedrogen.

Beloken

beloken Paosen, de zondag na Pasen.

Belommert

betrokken lucht, tegen onweer.

Bls

Belgisch trekpaard. dn Bls duuter zunnen tijd ovver, het Belgisch trekpaard neemt er de tijd voor.

Beluchtdrager

de naaste buurman die bij een begrafenis alles regelt en in de stoet voorop loopt.

Bmmel

reep stof.

Bmmelen

bengelen, slenteren. hij bemmelt mar langs de stroot, hij slentert maar doelloos rond.

Bn

mand.

Benadeilen benadelen.

Bnd

wilgetakken om rijsbos mee samen te binden.

Benejen

beneden.

Bngel

band; hoosbngel, kousenband.

Bensletter

doek tussen knien en enkels, ter bescherming van kleding bij het mesten.

Beren

inwoners van Erp.

Berg

1) Aanduiding voor een opgestoven hoogte van mager klapzand. Zo ontstonden de benamingen Bedafse bergen, Bergmaas, Kreitsberg, Nabbegatse berg, Raktse bergen, Reekse bergen, Steenbergen, Trentse bergen, Zevenbergen. (Deze laatste benaming is misschien ook wel afkomstig van de zeven grafheuvels, die er gevonden zijn); 2) hooiberg.

Bergmaos

Bergmaas. gebied in Zeeland.

Berhook

pikhaak (bij een zicht).

Berremiet

soepketel.

Brrevoets

blootsvoets. vgl. baar.

Brrig

de zeug wil naar de beer.

Brrige lcht

heel slecht weer op komst, een onweerslucht.

Brtha

Gijsbertina, Lambertina.

Brtus

Gijsbertus, Lambertus.

Bescheert

beschoren, door het noodlot toegedacht.

Beschit

bericht: hedde al beschit gekrigge van dn dokter?, heb je de uitslag al gekregen van de dokter? hij wit goed van beschit, hij weet veel. we hebben d dr goed bij beschien, die voorwaarden hebben we duidelijk gesteld.

Beschiten

voldoen, t beschit r nie aon, het is niet voldoende.

Beslag

beroerte.

Beslagbijl

bijl om een boomstam tot balk te hakken.

Besniten

bezuren, ervoor boeten, ontgelden. zie ook misniten. m de kooi, moeten t k de goei besniten, samen met de slechten, moeten het ook de goeden bezuren.

Besnijen

besnijden, castreren. Een mnl. big wordt m.b.v. een schars ontdaan van zijn zaadballetjes en wordt daarna burcht genoemd.

Bssum

bezem. dn bssum st buite, ze hebbe vrijhof, de bezem staat buiten, ten teken dat de ouders van huis zijn.

Bssumen

haastig lopen. Ze bssumde ovver de stroot, ze liep haastig over straat.

Bst

1) beest. mv. biste. verkl. bisje; 2) zn best, flink: ze zijn zn best aon het werken.

Beste

w.c., toilet. zie ook biste.

Besteken

schenken: iemand m ne koek besteken, iemand een koek schenken.

Bestelleke

gedoetje.

Bestlleke

anijsbol.

Bestellen

zwanger zijn. ze hi wa besteld, zij is zwanger.

Bestillen bestelen.
Bestn bestaan.

Bestuiten

complimenteren. zie ook stuiten.

Bt

Elizabeth.

Betaolen

betalen.

Betaomelijk

betamelijk, passend.

Betaomen

passen, behoren. da pst nie, dat hoort niet.

Betazzie

stamppot. zie ook petazzie.

Bts

Elizabeth, Lamberta.

Btter

beter.

Beugel

ijzeren band om de hals van de koe, waarmee ze getuierd staat. zie ook halsbeugel.

Beugelbaon

ruimte waar men kan beugelen.

Beugelen

spel waarbij een houten bal door een ijzeren ring (beugel) gerold wordt. zie ook sleger.

Beuren

nog tegoed hebben van slaag: ge zult ze nog beuren!

Beus

boos.

Beveurbild bijvoorbeeld.

Bewaarschool

kleuterschool. zie ook kakschool.

Bewaoren

bewaren.

Bezetsel

bandje aan een zoom. zie ook stootkant.

Bezetting

grote benauwdheid op de borst, longontsteking.

Bezij

verstand.

Bezije

naast. dn bm st bezijen t huis, de boom staat naast het huis.

Bezunder bijzonder.

Bezwaoi

eerbetoon. de nije pestr wier m grt bezwaoi ingehld, de nieuwe pastoor werd met grt eerbetoon ingehaald.

Bezzig

bezig. zie ook bizzig. wr bnde mi bezzig?, waar ben je mee bezig?

Bidden

bidden. (bidde, gebid). dr wier vruuger veul mr gebid as tiggewrrig, er werd vroeger veel meer gebeden dan tegenwoordig.

Bieboer

imker. zie ook bieman.

Bieman

imker.

Bies

lang oevergewas. gedroogd wordt het gebruikt om stoelen en matten te vlechten. zie ook bizen.

Biest

eerste melk van een koe die gekalfd heeft. Soms werd witbrood ook met biest gebakken.

Biesthoek

gebied waar veel biezen groeien.

Bietje

beetje. zie ook bitje.

Bizen

unnen bizen stol, een stoel met een van biezen gevlochten zitting.

Bij

goed. de klok st nie bij, de klok staat niet goed op tijd.

Bijdrijen

toegeven.

Bijnen

binden: ze zn de rog aon t bijnen, ze zijn rogschoven aan het binden. zie ook bingen.

Bijs

Gijsbertus.

Bijster

t is te bijster, t is wat te zeggen.

Bikken

eten.

Bil

hamer om molensteen te scherpen. zie ook bilhammer.

Bild

beeld, t Hllighartbild is van t trntje gedonderd, het Heilig-Hart-beeld is van zijn staanplaats gevallen. verkl. bildje.

Bilhammer

hamer om molensteen te billen, te scherpen.

Billen

scherp maken van een molensteen.

Bimbees

koolmees. verkl. bimbiske. zie ook biymees.

Bimd

laag, vochtig weiland.

Bingen

binden.

Binnenst

binnenkant van een huis.

Binnets

binnenzak. hij h nen tiek in zn binnets, hij heeft een knikker in zijn binnenzak.

Binneveld stuk land, omgeven door andere percelen.

Biste

w.c.

Bitje

beetje.

Bitsek

Bitswijk.

Bitsen

bijten, verdelen.

Bitswijk

een gebied dat verdeeld is.

Biy

bij. mv. biyen.

Biyen

bieden. (biy, biyt, bide, gebjen), bij een verkoop, of het kaartspel: wa biyde?, wat bied je?

Biymees

koolmees. verkl. biymiske.

Bizzig

bezig.

Blad

blad. mv. blaoi, blaojer. verkl. blaoike, bleeike, bldje.

Blak

t sti glijk blak, alles staat blank; blak wtter, niets dan water; ten blakke kommen, te voorschijn komen.

Blaoieren

bladeren. hij blaoiert in dn Engelbewaarder, hij bladert in De Engelbewaarder (een katholiek jeugdtijdschrift).

Blauwlegger

heggenmus.

Blauwverver

katoendrukker, iemand de schorten van zelfgesponnen linnen bont verfde.

Bldje

blad, tijdschrift. Hij blaoiert in n bldje.

Bleik

bleekveld: grasveldje bij het huis, waar de was op gelegd wordt om te bleken.

Bleiken

bleken.

Bleind

blind.

Bleindaos

daas.

Blk

1) blik. n blkken trummelke, een blikken trommeltje; 2) schors van een boom.

Blkken

afpellen van een ei of sinaasappel.

Blkschup

ijzeren schopje om de bast van een boom af te halen.

Blren

blaten.

Bleui

verlegen.

Bleur

blaarkop: koe met witte kop.

Blevven blijven.

Bliken

gluren, stiekem of nieuwsgierig kijken. wa stdder toch te bliken, wat sta je toch nieuwsgierig te kijken; hij blikt van de kaauw, hij ziet wit van de kou.

Blikerd

gluurder.

Blijven

blijven. (blijf, blif, geblivven).

Bliksem

ook blitsem, scheld- of vloekwoord. zie ook wirlicht. heten bliksem, appelstamppot.

Bloeien

bloeden. t bloeit verrkkes, het bloedt ontzettend erg.

Bloem

verkl. bluumke.

Bloken

blaken, walmen. de lamp blkt, dreit m s w lgger, de (olie)lamp walmt, draai hem eens wat lager.

Bloojer

blaar.

Blook

walm, rook.

Bloos

1) (varkens)blaas. zie ook foekepot; 2) domme vrouw.

Bloospijp

pijp om het vuur aan te blazen.

Blozen

ook blaozen, blazen: bloost de krs mr uit!, blaas de kaars maar uit!

Bluien

bloeien; wa bluien de kruinagels toch schn, wat bloeien de seringen toch prachtig.

Bluimnd

mei

Bluisteren

een gebluisterd gezicht, een met uitslag, puisten of blaren bedekt gezicht.

Bocht

1) kromming in de weg; 2) nageboorte van een koe; 3) tuig, waardeloos spul; 4) onkruid.

Boek

boek. mv. boeken of bk. verkl. buukske.

Boekendekoek

boekweitkoek. boekendekoek dorsen, hiermee wordt het met de knuppel dorsen besloten; men slaat dan niet beurtelings, maar met alle vlegels tegelijk.

Boekent

boekweit.

Boelslichter

degene, die de erfenis moet afhandelen.

Boembakkes

masker. zie ook moembakkes.

Boenhej

grt leven om niets.

Boer

boer, oprisping. gift diejen boer ok ne stoel, zegt men als iemand een boer laat. zie ook bken.

Boeremoes

boerenkool.

Boest

bolster van een walnoot.

Boesten

walnoten van de bast ontdoen.

Boetsen

stoten.

Boezeroen

werkkiel. ook boezeloen.

Bg

boog. mv. beug. verkl. beugske.

Bjjem

bodem. schraapt dn bjjem dr nie uit, zegt men als iemand heel hard door de pan krabt.

Bok

1) bok. verkl. bkske; 2) stuiver.

Bkken

1) bukken; 2) schelen: t kan me nie bkken.

Bokpool

A-paal, waar de elektriciteitsdraden aan hangen.

Bks

broek. verkl. bukske.

Bksets

broekzak.

Bksenbnd

riem.

Bm

boom. mv. bem. verkl. bmke. t kan btter van dn bm as van dn tak, zij die het meeste hebben, kunnen ook het meeste geven.

Bmeerd

binnenste van een holle knotwilg, gebruikt om planten in te zetten.

Bn

boon. mv. bnne: hij is in de bnne, hij is in de war. gruun en witte bnne, groene snijbonen gemengd met witte bonen

Bonk

paard.

Bont

Brabants Bont, de rood-wit geblokte Brabantse vlag.

Bnnestaak

bonenstaak, stok waarlangs bonen groeien.

Boogerd

boomgaard. In Uden lagen vroeger veel kersenboogerds.

Booi

postbode.

Boor

draagbaar.

Bt

boot. verkl. btje.

Bos

bos (bloemen), bundel; struik. verkl. buske.

Bs

bos. verkl. buske. Den Bs, s-Hertogenbosch..

Boskriek

wilde kers.

Bossen

schatten. Bij de verkoop van een boerderij werd de hoeveelheid hooi of stro op de balken of in de schuur gebost.

Bot

1) niet scherp; n botte hip; 2) been. verkl. btje; 3) boterham.

Btter

boter.

Btteram

boterham. mv. btteramme.

Btterbloem

boterbloem.

Btteren

overweg kunnen. die tw, d bttert nie, die twee kunnen niet met elkaar overweg.

Btterfebriek

boterfabriek. In Uden stond melk / boterfabriek H. Henricus, in Zeeland boterfabriek St. Jacobus.

Btterkletser

1) grote platte lepel om boter mee te maken; 2) botermaker.

Bttermgang

jaarlijkse omgang om boter op te halen voor de pastoor. zie ook mgang.

Btterpot

botervloot.

Btterprent

versiering op de boter.

Bttertelder

beslagkom.

Bowen

ploegen. zie ook eren.

Bovenrmens

van bovenrmens, diep.

Bovvene

boven.

Brnd

1) brand; 2) gerooide plek in het bos. Tussen Uden en Zeeland ligt het Brnds heike, dat vroeger als vuilstortplaats gebruikt werd. zie ook rooi.

Brnder

lampje, peer.

Brndhorren grote buffelhoorn om te waarschuwen bij brand.

Brabbant

braakliggend, afgebakend gebied.

Brak

1) klein, oud huis, barak; 2) schakel van een ketting.

Braof

braaf.

Brats

modderpoel. zie ook drats.

Brd

breed. unnen breje weg, een brede weg.

Breekgod

aardewerk, porselein. zie ook breekwaor.

Breekwaor

serviesgoed.

Breem

braamstruik.

Brei

balkenbrei.

Breiijzer

breinaald.

Breken

1) breken. (breek, brikt, braak, gebroken); 2) verspreiden. mst breken, mest verspreiden.

Brmbeer

braambes. mv. brmbeeren.

Brembzzem

braambes. mv. brembzzemen of brmbssums.

Bret

losse plank, voor op de kruiwagen.

Breukrand

Door en langs Uden loopt de Peelrandbreuk. Langs breuken in de aardkorst kunnen aardbevingen plaatsvinden, zoals op 28 november 1932 in Uden, die minieme schade aanrichtte. Het hoog gelegen deel, waar Uden op ligt, heet horst, het lage deel slenk.

Briensen

hinniken.

Brier

barrire, tolboom. bij de Gffese brier moete tol betaolen, bij de Geffense barrire moet je tol betalen. zie ook tol.

Brik

gesloten rijtuig met vier wielen.

Brillen

lelijke gezichten trekken.

Brobbelbis

moerassig gebied, tussen Zeeland en Nistelrode.

Broek

laag, drassig land.

Broekstn

afgezette ijzerdeeltjes die samenklonteren en zo stenen vormen, waardoor de doorstroming van het water wordt bemoeilijkt. zie ook wijst.

Broelie

ravage, troep.

Brokkepap

melk met daarin brood gebrokkeld.

Bronllie

petroleum. ook bromllie.

Brd

brood. meestal bedoeld roggebrd, dit in tegenstelling tot mik. Omdat men roggebrd gezonder vond, maar ook wel uit zuinigheid, zei men: van brd worde grt, van mik worde dik. mv. breuj. verkl. breuike.

Broojen

braden.

Brske

sierspeld.

Brouwer

bierbrouwer. Jaonus, gdde gij bij dn brouwer s een tnneke Faro-bier haolen, Jan, ga jij bij bierbrouwer van de Ven eens een vaatje Faro-bier halen.

Brujen

broeden.

Brujer

broeder.

Brullen

huilen.

Brulluft

bruiloft. brulluften, bruiloft vieren. ik kom oe verzuuke op de brulluft, ik kom je uitnodigen voor de bruiloft.

Brusselen

kruimelen, brokkelen.

Brustig

bronstig, van schapen.

Bruur

broer. mv. bruurs. verkl. bruurke.

Buigen

buigen. (buig, bog, geboggen).

Buij

regenbui.

Buil

(papieren) zak. verkl. bileke.

Buisman

zie cichrei.

Buiten

vergeleken met. t is vandaag mar kaauw, t schilt veul buiten gisteren, het is vandaag maar koud, het is een heel verschil vergeleken met gisteren.

Buitenbins

buitenbeentje, tegendraads. da jong is aolling buitenbins, die jongen is helemaal tegen de draad in.

Buj

beu, genoeg.

Bukkem

bokking (gerookte haring).

Buksen

boeren, een boer laten.

Blken

schreeuwen. wa ligder toch te blken, wat ben je toch aan het schreeuwen.

Bulling

1) een zekere lekkernij: een mengsel van boekweitmeel en spek, als worst in de dikke darm gestopt, daarna koud geworden, tot schijven gesneden en gebakken in de pan; 2)ingewanden van dieren.

Bult

1) bult, bochel; 2) heiturf, die van de bulten (hoogten) afgestoken wordt.

Bultekuil

kuil, waaruit je turf kunt steken.

Bunt

1) helm-, duingras; 2) gebied met deze begroeiing. hij vaort m mst dn Bunt in, hij rijdt met een kar mest naar dat land.

Buntbssum

bezem gemaakt van de wortels van buntgras.

Brt

beurt. umstebrt, om de beurt.

Brd

etensbord, ge it diejen brd leeg!, je moet dat bord leegeten. zie ook telder.

Brg

borg.

Brgemster

burgemeester. ook wel burgemister of dn brger.

Burgerij

elite van het dorp.

Brgt

gecastreerd varken.

Burremiel

koperen pot waar soep in gekookt werd. zie ook moor, moer of berremiet.

Brrie

burries van een kar, waar het paard tussen staat; draagbaar van een kruiwagen.

Bussel

ronde, rieten mand. In deze manden, met een doorsnee van 50-60 cm, werden de kersen naar de veiling gebracht.

Bussener

Bosschenaar.

Buten

verstoppertje spelen.

Buts

deuk. zie ook duts.

Butsel

pukkel. mv. butselen.

Butsen

indeuken, van vruchten en metalen voorwerpen.

Buuk

beuk.

Bken

boeren.

Buukentjes beukenootjes.

Buunder

1) boender, schrobber, gemaakt van heide, om b.v. klompen, melkbussen of pannen mee schoon te schuren; 2) een hectare land.

Buunderen

boenen, schrobben.

Brt

aantal huizen, dat bij elkaar in de buurt ligt. zie ook nober, noberschap en gebuurt of geboert.

Brten

kletsen. ze dinne vruuger veul buurten, vroeger werd er met elkaar veel gezellig gekletst.

Buut

doel, bij verstoppertje.

terug