K.

 

 

 

 

 

Kaam

kam. mv. km. verkl. kmke.

 

Kns kans.

Kaar

kar.

 

Kaarshond hond die de boterkarn moet aandrijven.

Kst

kast. de stlp mi Tresia st op de kst, de stolp met het beeld van de H. Teresia staat op de kast.

 

Kaat

Catharina.

 

Kaauw

koud, koude. dr st unnen kaauwe weind, er staat een koude wind. hij is van de kaauwe kant, hij is aangetrouwd.

 

Kaauwkrimper

koukleum. wa bende gij toch unnen kaauwkrimper, wat ben jij toch een koukleum.

 

Kaauwschttel

koude schotel.

 

Kabas

boodschappentas. zie ook karbas.

 

Kachelgruis

sintels, as.

 

Kademmer

persoon. was d vur unne kademmer, wat is dat voor een persoon.

 

Kaf

omhulsel van de graankorrel. Door te wannen werd het kaf van het koren gescheiden. Dit werd veel gebruikt als vulling voor het matras. Haverkaf had daarbij de voorkeur.

 

Kak

verwaandheid. die h veul kak, die beeldt zich heel wat in.

 

Kakkemom

blinddoek.

 

Kakkemommen

blindemannetje spelen.

 

Kakschool

kleuterschool.

 

Kakstoel

kinderstoel, vaak met uitsparing in het zitvlak voor de po.

 

Kammer

1) kamer; 2) afgepaald perceel.

 

Kammerood

kameraad, vriend. mv. kammerooi. ik goi m mn kammerooi naor de kermis, ik ga met mijn vrienden naar de kermis.

 

Kamwiel

tandwiel.

 

Kan

1) melkbus. does vrt m de kanne, daor hdde de romboer al, schiet eens een beetje op met de melkbussen, daar komt de melkophaler al aan; 2) korenmaat, inhoud 1 liter.

 

Kanijn

konijn. zie ook knijnt.

 

Kantr

kantoor. diejen deftigen hr werkt op n kantr, die deftige heer werkt op een kantoor.

 

Kaol

1) kaal. Hij h unnen kaolen hs, hij heeft een kaal hoofd; 2) helemaal, hij hggut kaol verspld, hij heeft alles verloren.

 

Kaorten

het kaartspel spelen.

 

Kaorten sloon

soort loting door middel van het omdraaien van speelkaarten.

 

Kaos

kaas. zie ook kees.

 

Kaoter

kater.

 

Kaotsen

het kaatsspel spelen (een bepaald slagbalspel).

 

Kaotsenbal

kaatsbal.

 

Kapmantel

mantel zonder mouwen, die tot bijna op de grond hangt.

 

Kapmuts

gebreide muts met kraag, onder de kin gebonden.

 

Kappeloon

kapelaan. (priester die samen met een pastoor op de pastorie woont. Ook wel eens herdershond genoemd)

 

Kappertje bier

glaasje met een voet.

 

Kappetunie

kaft van een boek. de kappetunie li aolling van de kttechismus af, de kaft van het katechismusboekje is helemaal stuk.

 

Karbas

handtas. ook karbats.

 

Kardns

deur de kardns moeten, tussen twee rijen jongens doorlopen, die dan naar hartelust mogen slaan, spitsroeden lopen. fig. door een zure appel heenbijten.

 

Karhengst

dom mens.

 

Karmenaai

karbonade. Jungske, brenge gij de karmenaai mar s naor de pestr, jongen, breng jij deze karbonade maar eens naar de pastoor.

 

Karnallie wijf. was d n aorig karnallie, wat is dat een raar vrouwspersoon.
Karnarrie kanariepiet.

Karploeg

soort ploeg met 2 voorwielen, ook stellingploeg genoemd. zie ook rolploeg.

 

Karrad

karwiel.

 

Karrp

houten beugel waarover de huif gespannen wordt. mv. karrpe.

 

Kars

kaars.

 

Karweg

zandweg waarop karren rijden.

 

Karwip

een steun, onder de kar gezet, om de as te kunnen smeren.

 

Kasgenade

zwetserij, verbeelding. kasgenade maken, opscheppen.

 

Kat

kat. verkl. ktje.

 

Ktsen

kaatsenballen.

 

Ktoul

uil.

 

Kttechismus

katechismus, boekje met voorschriften en regels voor de katholieke kerk.

 

Kattekop

gierpomp.

 

Ktteliek

katholiek.

 

Katten

soort kaartspel.

 

Kattenhool

woest, spookachtig gebied.

 

Kaveleuter

kleine jongen.

 

Kazineel

vierkante versierde wollen doek, opgerold gedragen als das door mannen. ook kazenee of kazienee.

 

Kebbelen

druk praten, babbelen.

 

Kedaster

kadaster.

 

Kedaver

kadaver.

 

Kedaverhiske

Gebouwtje, waar de kadavers van koeien en varkens tijdelijk werden bewaard. Tussen Uden en Zeeland stond vroeger een kedaverhiske.

 

Kedemmer

rare snijboon.

 

Keduuk

kapot, bouwvallig.

 

Kee

Cornelia.

 

Keek

kijk. zullie hen r keek op, zij hebben er kijk op.

 

Keeken

in Uden: kijken. Kom toch s ekkus keeken: kom toch eens eventjes kijken. In Zeeland niet zo gebruikt, wel weer de vervoeging kik, gekeeken: kik daor nou, kijk daar nou. kijken offie kikt en assie kikt nie keeken, kijken of hij kijkt en als hij kijkt niet kijken.

 

Keel

1) een kiel van blauw linnen, het kledingstuk van kooplui en marktgangers; 2) laagte tussen twee heuvels.

 

Keelen

raapstelen.

 

Keelestreupers

inwoners van Reek.

 

Keer

1) karnton; 2) de kern, het binnenste van een boom.

 

Kr

keer. mv. krre of krres. Te kr goon, razen tieren. Ook wel te kr goon, waarbij men kan denken aan een koordienst door kloosterlingen. Ik zeg t mar nne kr: Ik zeg het maar een keer,  hoeveul krres hek t nou al gezeed: hoe vaak heb ik het nu al gezegd.

 

Kees

kaas. Hij lt de kees nie van zunne mik eten, hij laat de kaas niet van zijn brood eten. door komme we binnekort aon de kees, daar is binnenkort een sterfgeval.

 

Ks

Cornelis, Knllis, Knillis, Krillis, Neel, Neelis

 

Kefee

caf.

 

Ki

vaak gebruikt voorvoegsel, in de betekenis van heel, erg: das kischn: dat is heel mooi, da hk al kiduk gedaon: dat heb ik al heel vaak gedaan. kigrt, kilang, kimoi, kiveul, enz.

 

Kienschijters

oude scheldnaam van Udenaren en ook van de inwoners van Ravenstein.

 

Keind

kind. mv. keinder. ook  kingd, mv.  kingder. verkl. kintje en kineke. Hij hoempt al van keindsafaon, hij loopt al van kinds af aan mank. Zes keinder h ze, drie platte en drie natte, zes kinderen had ze, drie dochters en drie zonen.

 

Keinderichtig

kinderachtig.

 

Keinds

dement. Driekm is al aolling verkeindst, daor kunde niemer mi proten, Oom Hendrik is al helemaal dement, daar kun je geen gesprek meer mee voeren.

 

 Keindskeinder

 kleinkinderen.

Keisterweind

storm.

 

Keken

kijken. (kik, kikt, gekeken).

 

Kl

kerel, man.

 

Kelderketrallie

kelderraam. de pudding stont vur het kelderketraliie, de pudding stond voor het kelderraam (om af te koelen).

 

Kelderzog

pissebed.

 

Keljas

werkjas.

 

Kllen

ziek worden van de koude handen.

 

Kelling

Keldonk.

 

Kelmnd

grote mand om aren in te dragen.

 

Kelver

kervel.

 

Kmmen

kammen.

 

Kenber

kenbaar.

 

Kenf

koebeugel, die om de hals werd gedragen.

 

Kennip

hennep. Hennip heten de niet zaaddragende planten.

 

 Kepl

 kapel.

 Keplse lof

 lof in de kapel.

Kepi

soldatenpet.

 

Kepot

kapot.

 

Kps

alle speelgeld verloren hebben, platzak.

 

Keren

1) vegen. Gij moet van onze vad dn hrd uitkeren, jij moet van vader de keuken uitvegen; 2) tegenhouden. d kunde nie keren, dat kun je niet tegenhouden.

 

Kerk

bende gij in de kerk gebrre?, zegt men als iemand de deur open laat staan. hij kwam onder de kerk, hij kwam op bezoek terwijl we in de kerk zaten.

 

Kerkgang

ritueel bij het weer ter kerke gaan van een vrouw die bevallen was.

 

Kerkmster

lid van het kerkbestuur.

 

Kerkvolk

hij duugget vur t g van t kerkvolk, hij doet het niet uit overtuiging, maar om slechte praat te voorkomen.

 

Kermeulen

apparaat om te karnen.

 

Kermisbloem

in Zeeland een flox. Elders afhankelijk van het tijdstip van de kermis.

 

Kernen

karnen. zie ook krren.

 

Krren

karnen. (keerde, gekeerd).

 

Kersenbm

kersenboom. zie ook korsenbm.

 

Kersenboogerd

kersenboomgaard. zie ook korsenboogerd.

 

Kerwats

karwats, rijzweep.

 

Kerwei karwei.

Kestanje

kastanje.

 

Kesteel

kasteel.

 

Ketier

kwartier. t Brabants ketierke, de gewoonte om een kwartier later te beginnen.

 

Ktjes

wilgenkatjes. zie ook poeskes.

 

Ketoen

katoen.

 

Ketoo

Catharina.

 

Ketrallie

tralie.

 

Ktsen

kaatsen.

 

Kettel

ketel. zie ook kittel.

 

Kettelbuter

ketellapper. Meestal in de uitdrukking vloeken of ligen as unne kettelbuter.

 

Kettingkst

kettingkast.

 

Keukelen

duikelen. kpke keukelen, kopje duikelen.

 

Keulse pot

aardewerken pot, grauwgrijs geglazuurd met blauwe versieringen, om snij- of sperziebonen in te bewaren. deze pot was vaak mooier versierd dan een kronenpot.

 

Kening

koning. zie ook kunning.

 

Keur

wetgeving.

 

Keut

varken, zeug.

 

Keuterij kleine boerderij.

Kezuifel

kazuifel.

 

Kiep

kip, hen.

 

Kiepegat

gat in de staldeur, waardoor de kippen en en uit gaan.

 

Kiepekoi

kippenkooi.

 

Kier keer. 'k zg 't mar nne kier. Zie ook kir.

Kiest

kist.

 

Kietelkeike

rond glad steentje.

 

Kieuw

1) woord, gebruikt om iemand in de verte te roepen, te kieuwen; 2) varkenskaak.

 

Kieviet

kievit.

 

Kizen

kiezen.

 

Kift

afgunst. t is de kift, ze zijn afgunstig.

 

Kijken

kijken. (kijk, kikt, keken, gekeken). kik nao tog s, kijk nu toch eens.

 

Kijven

schelden (kif, gekivven).

 

Kijves

gemopper. Hij krig kijves, er werd op hem gemopperd.

 

Kikkerd

kikker.

 

Kikvors

kikker. mv. kikvorsen.

 

Kimmel

kameel.

 

Kinnebak

onderkaak.

 

Kir

keer. mv. kirres.

 

Kis

Cornelius.

 

Kisjesvolk

marskramers.

 

Kitsen

braken.

 

Kittel

ketel.

 

Kittig

gauw boos.

 

Klabaaj

iemand die van iedereen iets weet te vertellen.

 

Klad

klad, restje. verkl. kldje.

 

Kladderpad

slecht begaanbaar pad.

 

Kladkoek

laatste koek uit de pan.

 

Klant

verbastering van Kalland, land van Karel de Grote.

 

Klaos

Nicolaas.

 

Klapbes

sneeuwbes.

 

Klaplper

nietsnutter.

 

Klapznd

onvruchtbaar stuifzand.

 

Klapzweper

dunne, benige vrouw.

 

Klaveren

klauteren.

 

Klavutsturke jonge of ouwe klare.

Klazineren

druk praten.

 

Kldje

kladje.

 

Kld

kleed. mv. klr of klier. verkl. klike.

 

Klr

kleren. wa hedde schn klr aon, wat heb je mooie kleren aan.

 

 Klrkst

 klerenkast.

Klver

klaver. Jungske, gao s wa klver haolen vur de knijnt, jongen, haal eens wat klaver voor de konijnen.

 

Klverblad

kachel met 3 gaten, brandopeningen.

 

Klin

ook klng, kln, klein.

 

Kleinveld

particuliere akkers.

 

Klem

speld. verkl. klmke.

 

Klemvogel

sperwer.

 

Klennigheid

kleinigheid.

 

Klep

mond. houdoe klep, hou je mond.

 

Klepboks

broek met voor, en soms achter, een klep.

 

 Kleppen

 roddelen.

Klerazie

kleren.

 

Klef

kloof, spleet.

 

Kleufbeitel

beitel om hout te kloven.

 

Kleufbijl

bijl om hout te kloven.

 

Kleuteren

napraten. zie ook kloteren.

 

Kleven

kloven.

 

Klvveren

klaveren. wie htter klverren aos?, wie heeft klaveren aas?

 

Klibber

dril. dr li veul klibber in de slt, er ligt veel kikkerdril in de sloot.

 

Klieken

spuwen. wie kan dr t weidste klieken?, wie kan het verste spuwen?

 

Kliven

kleven.

 

Klinkriemen

nietsnutten. wa ligder toch te klinkrieme, wat ben je toch aan het nietsnutten.

 

Klippel

knuppel.

 

Klirmaker

kleermaker.

 

Klcht

troep (vogels).

 

Kloek

1) klokhen, broedende kip; 2) flink, gezond.

 

Kloeken

klokken, als een kloek, of als water, dat uit een fles gegoten wordt.

 

Kloekendooier

sufferd. wa bende toch unnen kloekendooier, wat ben je toch een sufferd.

 

Kloeters

opgedroogde mest.

 

Klompls

priem.

 

Klomppin

klein houten pinnetje om de leren riempjes mee vast te staan bij een kapotte klomp. Meestal van pinhout, de vuilboom, gemaakt.

 

Klont

klont, verkl. kluntje. Vat s n kluntje btter, pak eens een klontje boter.

 

Kloon

clown.

 

Kloor

1) klaar, helder, onvermengd; 2) gereed, af. As de koffie kloor is, is ie nog nie kloor.

 

Kloot

dit woord wordt in veel betekenissen gebruikt: da kan me gn klote schille, dat kan me helemaal niets schelen; ds gn klote werd, dat is niets waard; ds unne goeie kloot, dat is een goede kerel; klt r mi hinne, ga er rustig mee verder; hij schupt m tigge zn klote, meestal niet letterlijk toegepast: hij schopt hem eens flink tegen zijn achterste; lpt nor de klote, loop naar de pomp; wa ligdr toch te klote, wat ben je toch aan het klungelen.

 

Kloris

sul, deugniet.

 

Kls

Klaas (Vaak). unnen houteren Kls, een houten Klaas; Sinterkls, Sint Nicolaas.

 

Klossen

door het water lopen.

 

Klster

klooster.

 

Klot

zwarte turf; klont. verkl. kltje.

 

Kltdrske

aankomend meisje.

 

Kltzak weinig serieus persoon.

Kloten

iemand vervelen, lastig zijn. Wa ligdr toch te kloten, wat ben je toch vervelend. zie ook vraelen.

 

Kloteren

napraten.

 

Kltjong

lastige kinderen.

 

Kltveger

snotaap.

 

Knaak

rijksdaalder.

 

Knaap

handvat op een zeisboom.

 

Knapzaak

jongen.

 

Knarrie

vervelend persoon.

 

Knuwen

1) stevig kauwen; 2) blijven zeuren.

 

Knchtje

jongen.

 

Kncht knecht.
Kneukel bot.

Knep

knoop, mv. knep, verkl, knupke. zie ook knup.

 

Knepen

knopen.

 

Kneut

rommel.

 

Kneuter

kneu.

 

Knevel

snor.

 

Knip

knipmes.

 

Kniepoten

vastbinden; lastige koeien werden met een touw aan horens en voorpoten vastgebonden, zodat ze niet konden weglopen.

 

Knijnt

konijn.

 

Knijp

Vraag bij bepaald (bal)gooispel: Na de vraag: knijp?, volgt bij toestemming het antwoord: de gloeiende!

 

Knillis

Cornelius. Sinter Knillis, de bedevaart van de H. Cornelius in Zeeland, de eerste zondag in mei.

 

Knip

hij wnt op De Knip, hij woont in het buurtschap Knipperdul.

 

Knipbeurs

portemonnaie.

 

Knipke

wasknijper. mv. knipkes.

 

Knipknupke

drukknoopje.

 

Kniplichje

zaklamp.

 

Knipperdul

takkenbrug over een beekje.

 

Kniy

knie, mv. kniy of kniejes.

 

Kniybak

hakselbak, bak waarin groenvoer of stro gesneden werd.

 

Knoeperen

hoorbaar bijten.

 

Knoeris

varken. zie ook kienschijters.

 

Knoerken

knorren van varkens.

 

Knoerpen

knarsen.

 

Knoersel

kraakbeen.

 

Knot

kachel.

 

Knokel

bot. mv. knokels, been.

 

Knokevet

d kst knokevet, dat kost veel energie.

 

Knol

paard.

 

Knolderapen

koolrapen.

 

Knllekes

inwoners van Boekel.

 

Knook

1) noest in hout; 2) bot.

 

Knookerd

met riet begroeid land.

 

Knoors

knotwilgengebied.

 

Knt

knotwilg. mv. knet.

 

Knopstoel

veel voorkomende stoel met biezen zitting en rugleuning en aan de bovenzijde voorzien van twee knoppen.

 

Knots

lollie.

 

Knup

knoop in een touw.

 

Knuppen

een knoop leggen.

 

Knut

knot. rolt diejen knut s efkes op, rol die knot eens eventjes op.

 

Kba

Jacoba.

 

Kbus

Jacobus.

 

Koeherd

koewachter.

 

Koejeneren

plagen.

 

Koek

koek, pannenkoek. verkl. kuukske.

 

Koekappel

appel voor in de pannenkoek.

 

Koekgat

nis in de brandmuur.

 

Koekoek

1) koning in een bepaald kaartspel; 2) golving in een slecht gehaorde zeissie.

 

Koenkel

stok waaromheen vlasvezels worden gedraaid om gesponnen te worden.

 

Koenkelen

1) slinkse plannen smeden; 2) draaien.

 

Koenkelfozen

zie koenkelen.

 

Koer

varken. verkl. koerkes, kutjes

 

Koerlig

chagrijnig.

 

Kotelen

vals spelen (b.v. bij kaarten).

 

Koeverren

rges op koeverren, bekomen, vooruitgaan.

 

Koffiedrinken

we gaon koffiedrinken, de broodmaaltijd gebruiken.

 

Koffin

koffiedrinken.

 

Koffietffel

uitgebreide broodmaaltijd.

 

Koi

kooi.

 

Kkker

koker.

 

Kl

kool. mv. klle.

 

Kolbender

nietsnutter.

 

Koldert

bolle akker.

 

Koljekker

aansteller.

 

Kollus

licht gekleed.

 

Kom

kop, beker. verkl. kumke.

 

Komaf

afkomst.

 

Kommen

komen. kom mar tn, kom maar hier.

 

Kommende

volgende. kommende week ist kermis, volgende week is het kermis.

 

Konde

kon je.

 

Knkel

vrouw, die veel van koffie houdt; die niet zuinig genoeg huishoudt.

 

Knkelen

koffiedrinken, de buurvrouwen heimelijk op de koffie vragen, op verkwistende wijze huishouden.

 

Kont

achterwerk. ze kijken oe m de kont niet aon, ze negeren je helemaal.

 

Kood

kwaad, t kos koier, het kon slechter.

 

Kooi

1) kaan. mv. kojen, verkl. kooikes, kanen uit gesmolten  vet; 2)  slecht. das een kooi vrouw, dat is een slechte vrouw.  doet oe kooi dingen aon, doe je oude kleren aan. hij h kooi zin, hij is boos; 3) kerkbank. mv. kooie. we hemme driy pltse in de kooie gepcht, we hebben drie zitplaatsen in de kerkbank gepacht.

 

Kooikes

kaantjes.

 

Kpen

kopen. (kp, kpt, kcht, gekcht).

 

Kper

iemand die koopt.

 

Kr

zangkoor, priesterkoor.

 

Koort

dun touw. mv. koorden. verkl. kertje.

 

Kst

kost. mv. ksten. gij ht de kst wel verdiend, je hebt flink gewerkt.

 

Kplui

kooplieden.

 

Kpman

koopman.

 

Kpper

koper (metaal). De kpperen brulluft, een 12 jarig huwelijk.

 

Koppingt

hoofdpijn.

 

Kpschouw

kopschuw. D prd is noggal kpschouw, dat is een schichtig paard.

 

Kopziekt

bepaalde runderziekte met kramp.

 

Krf

korf.

 

Krren

1) korrel; 2) koren.

 

Krreschoep

houten schep voor koren.

 

Kors

kers. mv. korsen.

 

Korsenbm

kersenboom.

 

Korsenboogerd

kersenboomgaard.

 

Korsmis

kerstmis. ook korsemis.

 

Korsemisbm kerstboom.

Kort

1) met of in weinig water: De koffie kort ztten. De rpel kort koken; 2) klein vlees van het varken, ribkes enz

 

Kortrre

kleine kinderen. door lpen driy kortrre roond, daar lopen drie kleine kinderen rond.

 

Korts

1) koorts; 2) pas geleden; 3) binnenkort.

 

Kos

t kos, het kon. t kos mar nt, het kon maar net.

 

Kster

koster. ook kster.

 

Kots

braaksel.

 

Kotter

mes op een ploeg, om de zode te snijden, bij het grasland ploegen. zie ook kouter.

 

Kousenbengel

elastieken band om de kousen op te houden.

 

Kouter

mes op ploeg, bij grasland ploegen.

 

Kw

koe. mv. koei. verkl. kuuske, klfke.

 

Krabben

bijeengaren van strauwsel, met behulp van een krabzeissie.

 

Krabzeissie

kantenkrabber voor sloten of heggen.

 

Kraej

dam in een beek.

 

Kral

bes, kraal. mv. krallen, (vlier- of lijsterkral).

 

Krats

een beetje.

 

Kreij

kraai. mv. kreijen.

 

Kreijen

kraaien, van een baby.

 

Kreijenbek

klein tangetje.

 

Krk

juist, precies. krk wak wou, precies wat ik wilde.

 

Krekel

ijspegel.

 

Krekelhuis

knekelhuis.

 

Krekelskont

vervelend iemand.

 

Krmmer

1) marskramer, zie ook teut.; 2) pijn in de rug.

 

Krmmig

stram, reumathiek.

 

Krempvogel

roofvogel.

 

Krp

1) insnijding, kerf; 2) aars, achterste; 3) stuk rookvlees.

 

Krppenind

laatste stukjes gerookt vlees, die aan behoeftigen werden uitgedeeld.

 

Krets

schurft.

 

Krib

bed.

 

Kriek

soort kers.

 

Kriekel

muggezifter.

 

Krienselen

heel druk bewegen (van kinderen).

 

Krijgen

krijgen. (krig, gekriggen).

 

Krijt

strijdperk.

 

Krijten

1) strijden; 2) huilen.

 

Krijtsberg

buurtschap in Zeeland.

 

Krint

krent.

 

Krintemik

krentenbrood.

 

Krintenbaord

gezicht met veel puistjes.

 

Kroep

difterie.

 

Kroesel

kruisbes. mv. kroeselen of kroesels.

 

Kroeselbos

kruisbessenstruik.

 

 Krolhoor

 krulhaar.

Krombos

los stro wat op een ronde bos gebonden is.

 

Kromme slip

kado voor kraamvrouw.

 

Krommenhoek

weg tussen Voederheil en Nabbegat.

 

Kronenpot

hoge aardewerken inmaakpot, vaak bruin geglazuurd, voor groenten, b.v. snijbonen. ook steile pot genoemd. zie ook Keulse pot.

 

Kroom

marktkraam, kraambed, bevalling. D kunt in zunne kroom te ps, dat is koren op zijn molen

 

Kroon

kraan. de kroon drpt, de kraan drupt.

 

Krs

1) klokhuis van appels enz.; 2) kleine soort pruim.

 

Krppen

in de krop of slokdarm blijven steken.

 

Krots

1)     boomvrucht die haar natuurlijke grootte niet bereikt;

2)     klein persoon.

 

Krotsen

overgeven.

 

Kruchen

geluid, bij grote krachtsinspanning; zich pijnlijk of onwel voelen.

 

Kruigen

kruiwagen.

 

Kruinagels

seringen.

 

Kruisbld

kruisbeeld.

 

Kruishirren

Orde van de Kruisheren, die in Uden een klooster met Latijnse school beheerden. Nu nog een klooster aan het Lievevrouweplein..

 

Kruiskolen

houtskool.

 

Krulhoor

krulhaar.

 

Krullen

t krult r wir, het gaat er weer heftig aan toe.

 

Krummel

kruimel. verkl. krummelke.

 

Krummelen

kruimelen.

 

Krups

tegendraads.

 

Kruts

dennenappel. verkl. krutske.

 

Kuieren

rustig lopen.

 

Kuil

hoop met bieten of aardappels.

 

Kuiper

kuipenmaker.

 

Kulder

bloes zonder mouwen, die mannen onder de boezeroen dragen.

 

Kulderij

grappenmakerij.

 

Kullen

voor de gek houden. hij h me gekuld, hij heeft me voor de gek gehouden.

 

Kummelijk

1) lastig van humeur, vervelend; 2) zwak. hoe ist r mi? nou, t is mar kummelijk, hoe gaat het er mee? nou, ik voel me niet zo best.

 

Kunde

kun je. wa kunde? niks kunde, d kunde, je kunt ook helemaal niets.

 

Kunnigin

koningin.

 

Kunning

koning.

 

Kunstzp

soda.

 

Kuntje

afgesneden onderste stompje van een champignon.

 

Kursjet

korset.

 

Kusstrpke

kussensloop.

 

Kster

koster. de kster luidt dn Engel des Heren, de koster luidt het twaalfuur gebed. ook kster.

 

Kuulen

koelen.

 

Kuus

kalf.

 

Kuusen

inwoners van Veghel.

 

Kwaap

pasgeboren kuiken.

 

Kwab

1) moeras; 2) kikkervisje.

 

Kwak

kleine hoeveelheid, verkl. kwekske.

 

Kwakkellocht

veranderlijk weer.

 

Kwakken

1) met de stoel op en neer gaan; 2) iets neergooien. kwak t door mar in dn hoek, gooi het daar maar in de hoek.

 

Kwaolik

kwalijk, kwaadaardig.

 

Kwats

onzin. wa lulde toch unnen hp kwats, wat vertel je toch een boel onzin.

 

Kwattarmme

chocolodemelk.

 

Kwattawtter

chocoladedrank, met water i.p.v. melk.

 

Kwebs

slap, ziek.

 

Kweek

schreeuwerig vrouwspersoon.

 

Kweken

roepen, schreeuwen.

 

Kwekerd

schreeuwerig manspersoon.

 

Kwellik

1) nauwelijks. zunne vadder httum nog mar kwellik gewrschouwd of Jntje donderde m zunne stoel aachterover, zijn vader had hem nog maar nauwelijks gewaarschuwd, of Jantje viel met stoel en al achterover; 2) bezwijmd, kwellik worre, onwel worden.

 

Kweps

blut.

 

Kwidammer

aansteller.

 

Kwijt

even (in een spel): we zn kwijt, we staan quitte, we hebben even vaak gewonnen.

 

Kwikken

wikken, op het gevoel wegen. zie ook pkwikken.

 

Kwikriem

buikband voor een paard, dat voor de kar staat.

 

Kwipselen

kwispelen.

 

Kwool

kwaal, ziekte.

 

Kyri

soort slingerspelletje.

 

        terug