O.

 

 

 

Ochrm

och, helaas.

Ochot

maar, och. zie ook oegtte.

Oe

jou, je. hoe ggget m oe?, hoe gaat het met je? waor hedde oewen mins?, waar is je man?

Oegtte

och toch.

Oest

schep voor meel of varkensvoer.

Oetch

jammer toch.

Oever

voor- of achterstuk van het land. zie ook vrk.

Oit

ooit.

Oiver

ooievaar.

Ok

ook. Hij duuget ok nog ok, hij doet het ook nog.

Okst

oogst.

Oksten

oogsten.

Okstmnd

augustus

Ollie

1) olie; 2) jullie, bons, bllie en balle mense, bij ons, bij jullie en bij alle mensen.

Olliefant

olifant.

Ollientje

pinda.

Ollie sloon

olie persen uit lijnzaad, d.m.v. een oliemolen.

lper

afval van vlas.

Om

oom. het woord komt achter de naam: Tiesm, oom Ties; komt het woord voor de naam, dan wordt gezegd: ome Ties.

Ombenullig

lomp.

Ommelen

houtommelen, houtskool.

Onderbks

onderbroek.

Ondern

onder elkaar. hij ruurt zunne brd ondern, hij roert met een vork zijn eten onder elkaar.

Onderhnd

eindelijk.

Onderschiten

onderspitten.

Onderweeges

onderweg. hij blif lang onderweeges, hij bleef lang onderweg.

Ongerkt

ongeregeld. hij kumt alt ongerkt van zn wrk af, hij komt altijd op ongeregelde tijden van zijn werk thuis.

Onjeklnje

eau de cologne. brengde n fleske onjeklonje mee?, breng je een flesje eau de cologne mee?

Onlnd

woeste, braakliggende grond. vgl. brabbant.

Onneuzel

1) onschuldig; 2) simpel, idioot. Onneuzele keinder, gedenkdag van de kindermoord door Herodus, 28 december.

Onnut

ondeugend.

Onrngs

oneerlijk.

Ons Hr

de communie. de pestoor gonk m ons Hr naor t Loo, de pastoor ging met de communie naar de zieke mensen op het Loo.

Ontij

ontijd. mv. ontijen, slechte tijd: bij naacht en ontij.

Onthekt

verbolgen.

Ontig

ongepast, onbehoorlijk.

Ontigheit

zie ontig.

Oo

Aa (rivier). de Oo duut r uit, de Aa overstroomt.

Og

oog. mv. eug en gen. verkl. eugske.

Ogen

eruitzien. d gt toch nie, dat ziet er niet uit.

Oojer

ader. verkl. eujerke.

Ool

aal.

Oor

aar. mv. aoren. verkl. rke.

Or

oor. mv. rre. verkl. rke. hedde gij gn rre?, waarom luister je niet?

Oort

punt van een mes. Als je bij een ander een mes leent om b.v. een appel door te snijden, moet je een mssenoort: het mes met een stukje appel aan de punt, teruggeven. verkl. ertje.

Ostal

noodstal, hoefstal.

Ooteren

knutselen, bezig zijn.

Opbreken

spijt krijgen.

Opfroemelen

opfrommelen.

Ophaolen

de taofel ophaolen, de tafel dekken.

Ophebben

ergens om geven. die hebben veul m mekaar op, zij houden veel van elkaar.

Opheujen

opjutten.

Opjuinen

opjutten.

Opkalefateren

opknappen.

Opkammer

opkamer, kleine kamer boven de kelder. hij slpt in dopkammer, hij slaapt in de opkamer.

Opklooren

opklaren. t kloort wr op, we doen op huis aon, het klaart weer op, we gaan naar huis.

Opkwikken

1) opfrissen, opfleuren; 2) opkweken, opfokken.

Opnaejen opjutten, laot oe eige nie opnaejen!

Opnit

opnieuw. Jntje moes van de mster zn sommen opnit maken, Jantje moest van de onderwijzer zijn sommen opnieuw maken.

Oppssen

gedragen. ge moet ntjes oppssen, je moet jezelf netjes gedragen.

Opper

hoop.

Oppzaort

wellicht, waarschijnlijk.

Oproepen

wakker maken. hoe laot moet ik oe oproepen?, hoe laat moet ik je wekken?

Opschppen

opscheppen. schpt nog mar unne kr op, dr is nog zat, schep nog maar een keer op, er is nog genoeg.

Opschudden

opmaken. de bedden opschudden, de bedden opmaken.

Opspeulen

mopperen.

Opsteuken

iemand tot iets kwaads aanzetten; zn eigen psteuken, zich opwinden.

Opstieren

de koe door de stier laten bespringen.

Opwrmen

opwarmen.

Opwijnen

opwinden. ge moet oe eigen nie zo opwijnen, je moet jezelf niet zo opwinden.

Oranjes

oranje. gif mn die oranjese snuupkes mar, ik zou graag die oranje snoepjes willen hebben.

Orde

de derde orde, een kerkelijke groepering.

Ordeneren

bevelen, regelen. hij li alln mar te ordeneren, hij beveelt alleen maar. zie ook verordeneren.

rgel

orgel. ook lger. n Smitsrgel wier in De Reek gemakt, het Smitsorgel werd in Reek gemaakt.

rgelist

organist.

Orlog

oorlog. hij wit nog veul van dn orlog van 14-18, hij weet nog veel van de eerste wereldoorlog.

Orrie

Arie.

Orten

overschot van het eten, dat op iemands bord blijft liggen. Ge meut gn orten maken, je moet alles opeten.

Orwrm

oorworm.

Ossenhaam

onderbroek met pijpjes.

Ost

oost.

Otteren

klungelen. wa ligder toch te otteren, wat ben je toch aan het klungelen.

Out

uit (Uden).

Outoor

altaar. verkl. outrke.

Ouw

u of uw.

Ouwoer

kletser.

Ouwoeren

kletsen.

Ovenblok

noga.

Ovend

avond.

Overweek

na de volgende week.

Ovver

over. hij duuter zunne tijd ovver, hij neemt er de tijd voor.

Overgank

epidemie.

Ow

jouw.

        terug